Tijdens het schrijven van het verhaal over Fleur van de Caap in Windesheim, werd in het Haags Historisch Museum een  tentoonstelling geopend over Afrikaanse bedienden, die in de achttiende eeuw in slavernij aan Europese hoven werden geschonken. "Kleine jongetjes zonder familie, ver van hun geboortegrond en overgeleverd aan onbekende volwassenen. Wie waren zij? Hoe zagen hun levens aan het hof eruit? En waren ze tot slaaf gemaakte bedienden of vrije werknemers?"
Zou Fleur van de Caap uit Windesheim er ongeveer zo hebben uitgezien?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Verhaal van Windesheim : ‘Fleur van de Caap’ (in bewerking)

Iedere dag komen er talloze verhalen op ons  af, of je nu een boek leest, een film kijkt, een mop aan de bar vertelt  of de laatste roddel hoort over een buurtbewoner. Je struikelt bijna letterlijk over de verhalen en het gekke is het verveelt nooit. De Historische vereniging Windesheim  wil ook een verhaal vertellen: het Verhaal van Windesheim zoals het ooit was.  
Internet is daarbij een onuitputtelijke bron. Struinend in een archief van oude tijdschriften kwam ik dit verhaal tegen.
Op 24 oktober 1790 werd er onder grote publieke belangstelling de negerkleurige huisknecht van de heer Joachim van Plettenberg in de kerk van Windesheim gedoopt. Dominee Revius verzorgde de preek, bijgestaan door de ouderlingen Jan van Santen en Hendrik Kiesebrink. De ‘lijvknegt’ was een mesties (halfbloed) geboren op 30 mei 1769 uit ‘eene slavin’ en kreeg als doopnaam ‘Fleur van de Caap’.
Het moet in die dagen heel bijzonder zijn geweest om een Afrikaanse bediende op het platteland te zien. Windesheim bestond toen uit een kerk en  een twintigtal verspreid staande boerderijen en woningen.  Jammer genoeg zijn er geen verslagen van tijdgenoten bewaard gebleven.
Wanneer was deze jongeman hier terechtgekomen? Dat is niet bekend. Wel dat zijn baas de bewoner van Huis Windesheim was met een loopbaan bij de VOC.  Deze Joachim van Plettenberg, geboren in Leeuwarden, trok als jonge edelman naar Nederlands-Indië, trouwde daar met de rijke weduwe Cornelia Feith en ging in 1767 naar de Kaapkolonie waar hij van 1774 tot 1785 gouverneur was van Kaap de Goede Hoop. Hij leefde daar als God in Frankrijk, leidde een verkwistend leven en kreeg in 1779 grote problemen met de vrijburgers in de kolonie. Dit alles was een doorn in het oog van de VOC. Plettenberg diende daarop zijn ontslag of kreeg eervol ontslag van de VOC. Daar zijn de bronnen niet eenstemmig over. In Nederland aangekomen kocht het echtpaar in 1786 voor 47.000 gulden het landgoed Windesheim.  
Het kan niet anders dan dat de naam van de dopeling is ontleend aan het Afrikaanse verleden van de familie van Plettenberg. Het historische landgoed ‘Fleur du Cap’ in Zuid Afrika is rond 1700 opgebouwd door de Nederlanders en een bekende wijn draagt nog steeds deze naam. Het was een populaire naam want in 1793 wordt van koopman Tobias Christian Rönnenkamp vermeld dat hij een slaaf bezat met de naam ‘Fleur van de Caap’. Het is wel heel cynisch om te lezen dat de waarde van deze mensen in rijksdaalders werd uitgedrukt. 
Nieuwsgierig gemaakt door dit wonderlijke verhaal, vroeg ik dominee van Wijk of hij via het kerkelijk archief en het doopregister gegevens kon vinden die dit verhaal zouden staven. Of,  nog mooier, misschien leverde het extra details op. Hij liet me weten dat de oude doopboeken voor 1878 naar het HCO waren gegaan. Organist Wim Verweij wist zich te herinneren  dat in het boek ‘De eeuw’ge wijngaard Gods’ van J. Erdtsieck een passage aan dit onderwerp is gewijd.

Verder gezocht op internet waar ook de doopboeken van Windesheim na wat zoekwerk zijn te vinden:


De tekst is moeilijk leesbaar maar gelukkig is er het project ‘Van papier naar digitaal’ waarbij vrijwilligers de tekst van het Windesheimse doopboek naar onze tijd hebben vertaald: 

De doop van de jongeman klopt dus maar hoe is het Fleur van de Caap daarna vergaan? Al zoekende kom ik erachter dat hij zich La Fleur van de Kaap noemt. Op 18 mei 1794 is hij in Leeuwarden te traceren . Niet zo vreemd, want de Heer van Plettenberg had ook een huis in Leeuwarden.  Hij trouwde  met Pieternella (of Petronella) Feddema   en het  echtpaar  kreeg 2 kinderen Lijsbeth  van de Kaap (1795-1796) en Johannes Feddema la Fleur (1797-1823). Broer en zus hebben andere achternamen maar dat is niet ongebruikelijk voor die tijd. Wel bijzonder is dat La Fleur van de Kaap inmiddels een vrij man is. Zijn zoon Johannes Feddema la Fleur was kleermaker van beroep en trouwde in 1816 met de 16-jarige Huberdina Zelle, naaister van beroep. Dit echtpaar kreeg in 1817 een dochter die zich La Fleur noemde. De naam leefde dus nog lang voort. Tot zover de genealogie van ‘Fleur van de Caap’.
In 1893 stierf Joachim van Plettenberg. In 1987 tijdens de restauratie van de kerk in Windesheim werd zijn grafkelder gevonden  met het gebeente van hem en zijn vrouw. Maar daarover in een volgende aflevering meer.

Uit: Nieuwsbrief PB Windesheim december 2018.